Vrouwenkledij

Schort

Over de rokken kwam een brede, met plooien of fronsen afgewerkte schort, die op verschillende manieren werd gedragen: los (al dan niet met gatbinders), opgestoken of samengebonden. De schort had oorspronkelijk een beschermende functie en werd daarom uit stevig linnen vervaardigd. Later werd het een sierstuk (in ruitjes gestreken) en met fijne plooitjes afgewerkt. De schort werd meestal opgestoken zodat de mooie rokken en moederkestès zichtbaar waren. De schorten waren meestal bleek en dikwijls gestreept, een enkele keer met bloemmotief. Een enkele keer werd er een zakje op een schort genaaid. 

  • De schort is verplicht 
  • De schort komt minimum ½ ( liefst 2/3) rond de bovenrok en is met plooitjes of fronsen afgewerkt. 
  • Stof: katoen of soepel linnen, uitzonderlijk zijde ( in overleg met WG kledij). Let erop dat de stof soepel genoeg is om te op te steken. 
  • Kleur vrij. Opgepast: aangezien beide zijden zichtbaar zijn bij het opsteken, kunnen geen bedrukte stoffen worden gebruikt. Om dezelfde reden wordt de schort best uit één stuk stof genaaid. 
  • Lengte: maximaal 15 cm korter dan de bovenste rok. Mag ook langer zijn zodat hij ook past wanneer de langste rok wordt gedragen. Wie een korte schort maakt, moet ook een langere maken die bij de lange rok past. 
  • De schort wordt los gedragen ( eventueel in vierkantjes gestreken), opgestoken of samengebonden.